Zoeken

Meer dan een juf

Onderwijs zoals het is. Vind ik.

Harsen

Mijn hulpmentor Kelvin uit de vijfde komt graag even buurten in mijn lokaal. Soms gaat hij voorin de klas zitten, bij mij aan het bureau. Soms zit hij achterin en observeert hij de boel een beetje.

Maar meestal loopt hij door de klas en gaat hij naast de kinderen zitten en maakt hij een kletspraatje. Dan vraagt hij ze hoe het gaat en of hij ze ergens mee kan helpen.

Kelvin is een knappe jongen. Groot, breed, donkerbruine ogen en donkerbruin haar. Hij is sportief gekleed. Als ik in de vijfde had gezeten, dan was ik tot over mijn oren verliefd op hem geweest. De kinderen uit mijn klas adoreren hem.

Deze les zijn de kinderen bezig met een project. Ze moeten een spel maken en daarin een aantal taalregels verwerken. Een creatieve knip- en plakopdracht en het is een redelijke chaos in mijn klas.

Kelvin loopt rond en en maakt een dolletje met de kinderen.

‘Kijk nou Iris, Maxim heeft een snorretje. Zie je dat? Een klein snorretje! Oooh Maxim, je wordt een echte kerel!’, zegt Kelvin.

Ik kijk en zie inderdaad een licht streepje donkerbruine haartjes. Maxim kijkt gegeneerd weg.

‘Maar Joep heeft zich al geschoren! Kijk dan, hij heeft nu stoppels!’

Joep lacht wat schaapachtig.

Snorretjes en scheren zijn de opkomende borstjes bij meisjes. Aan de ene kant wil je ze graag laten zien, die knobbels, en koop je een mini-behaatje, maar in een bepaalde fase hoop je dat je ze met een grote trui onzichtbaar kunt maken. En weer wat later koop je alleen maar shirts met een diep decolleté.

Kelvin zegt: ‘Toen ik net een snorretje kreeg heb ik het niet geschoren hoor. Ik heb ‘m laten harsen! Bleef het twee maanden weg!’

Ik ben echt verbaasd en moet lachen. ‘Harsen?! Serieus?’

Ja. Kelvin harste zijn pubersnorretje weg. Twee keer maar. En na vier maanden mochten de haartjes doorgroeien en konden ze beter worden afgeschoren.

Echt. Als ik toch in de vijfde had gezeten. En dit geweten had.

Ik was tot over mijn oren. En op zijn gladde bovenlip.

Revisie

Ze is blijven zitten.

Totaal onterecht volgens haar. Als ze namelijk die eerste keer voor de toets niet te laat was geweest, dan had ze haar herkansing niet verspeeld. Dan had ze een voldoende kunnen halen en dan zou ze in theorie een 6 kunnen staan. En als ze iets meer tijd had gehad voor de toets Spaans, dan zou ze ook daar een voldoende voor kunnen hebben gehaald. Dat zou weer betekenen dat ze weliswaar vier onvoldoendes op haar rapport zou hebben, maar ze had dit ook al met haar mentor besproken en die zou dan weer een goed woordje voor haar kunnen doen zodat ze misschien wel met een taak over zou kunnen gaan. Die taak zou ze natuurlijk goed maken en dan zou ze na de zomervakantie in de vijfde starten.

Maar dit was al haar tweede keer in de vierde. Haar verhaal klopt in  haar hoofd, maar de cijfers liegen er niet om en over haar inzet, werkhouding en haar kans om te slagen, daar zijn de collega’s niet enthousiast over. Dus blijft ze zitten en moet ze van school af.

Ik geef haar geen les dit jaar en ik hoor haar verhaal op het schoolfeest. Ze is woedend, verontwaardigd en verdrietig tegelijk. Ik ga met haar een kroegje in om even bij te komen. Ooit bleef ik ook een keer bijna zitten. Ook totaal onterecht, vond ik. Ik heb toen een brief naar de schoolleiding geschreven waarin ik een vurig pleidooi hield voor mezelf. Open en eerlijk, lekker reflecteren. En het werkte, ik mocht over.

Zij besluit hetzelfde te doen en diezelfde nacht nog krijg ik een brief van haar om even te controleren op spelfouten. Het is hartverscheurend.

Ze schrijft dat haar liefste wens is om haar moeder trots te maken. En dat kan alleen maar als ze een diploma heeft. Ze werkt veel, ze heeft twee baantjes naast school, maar dat doet ze omdat haar vader het gezin heeft verlaten toen ze acht was. Het gezin is al een paar keer bijna uit hun huis gezet omdat ze de huur niet konden betalen. Zij werkt en draagt haar salaris af. Voor de huur. Daarom blijft er weinig  tijd over om te studeren en daarom heeft ze stress en is ze vaak een pain in the ass op school.

We wisten dit niet.

Maar helaas: voor de schoolleiding is dit niet genoeg om haar nog een kans te geven.

Die ochtend zit ik bij een revisievergadering. De ouders van Laurens willen graag dat we hun zoon nog een keer bespreken in de vergadering. Ook Laurens is in principe voor de tweede keer blijven zitten in dezelfde klas. Laurens heeft last van migraine. Laurens is ook een pain in the ass. Laurens heeft een vader en een moeder die mondig genoeg zijn om hun zoon in de revisievergadering in te brengen.

Laurens mag over. Mits dit en mits dat… Maar hij mag naar klas vijf.

Het zit me niet lekker, Hij wel, zij niet. Het klopt niet.

Ik ga naar de schoolleiding en vertel wat me dwars zit. Dat Laurens-met-mondige-‘rijke’-ouders wel deze revisiekans krijgt en zij niet.

Er wordt in allerijl toch een vergadering ingelast.

Ze krijgt een kans.

En nee. Ze mag toch niet blijven. De argumenten zijn helder.

Ik vind het jammer voor haar, maar nu hebben we er wel alles aan gedaan.

’s Middags zie ik haar. Ze zit op een bankje, buiten, in de zon. Ik ga naast haar zitten.

Ze legt haar hoofd op mijn schouder. We zeggen niks. Dat hoeft ook niet.

Dit is een knokker. Ze komt er wel.

 

Eerder schreef ik hier over haar:

https://meerdaneenjuf.wordpress.com/2017/03/29/paaseitjes/

https://meerdaneenjuf.wordpress.com/2016/11/17/orakel/

Druk

Een keer had ik stress.

Dat was toen ik mijn scriptie moest schrijven. Ik kreeg spontaan een psoriasis-aanval. Ik zat onder de rode, jeukende vlekken. Het zag er niet uit.

En verder heb ik het echt wel druk. Maar stress? Nee.

Als ik dit zeg in de docentenkamer, dan word ik verbaasd, jaloers en soms boos aangekeken. Een enkele collega is het met me eens, maar het merendeel ervaart dit anders.

Sinds ik op deze school werk, heb ik nog nooit zoveel mensen overspannen gezien. Aan de lopende band melden collega’s zich ziek en de gesprekken in de docentenkamer gaan vaak over werkdruk en werklast.

Ik zal de laatste zijn die ontkent dat docenten het niet druk hebben. Wat er in de kranten staat, is waar. Te grote klassen, te veel uren voor de klas, te weinig tijd om mooie lessen voor te bereiden, te veel vergaderingen en overleggen, mailboxen die overstromen, leerlingen die allemaal een persoonlijke aanpak nodig hebben, het lerarentekort, het salaris dat achterblijft en noem maar op. Het klopt.

Maar ik word zo ontzettend gek van al dat geklaag en gezeur erover. En ja, ik vind het klagen en zeuren. Ik ga me er niet voor excuseren, ik ben wel een beetje klaar met dat gemekker.

Ik denk er veel over na, over hoe werkdruk wordt ervaren. Want ik schrik van de ervaringen van mijn collega’s. Mijn collega’s. Het team waar ik vaak genoeg energie van krijg en dat nog lange tijd wil krijgen. Natuurlijk, dat wat de een aankan, is voor de ander te veel. Dat is voor iedereen persoonlijk. Maar stiekem kan ik me soms gewoon niet aan de gedachte ‘je stelt je aan’ onttrekken. Ik weet het, dat is niet aardig van me en ik moet het hele persoonlijke plaatje zien. Maar toch. Ik denk het gewoon. En juist daarom zit het me zo dwars.

Het is een lang verhaal en ik ben niet van plan om hier alle kanten te belichten en om alle nuances te bekijken. Nogmaals, ik deel alle kritieken van collega’s op het onderwijs wel.

Maar KOM OP! Leraar zijn is zo’n fantastische baan! Er is geen beroep waar je op een dag, nee, binnen een uur zoveel geweldige dingen meemaakt.

Een leerling die met een rood hoofd en verkeerd geknoopte jas binnen komt rennen omdat hij de pont net gehaald heeft. Een leerling die juichend zijn broodtrommel openmaakt omdat er filet americain op zijn brood zit. Een leerling die nog even haar haar goed doet en snel een snapchatje maakt en denkt dat ik het niet zie. Een leerling die stilletjes in een hoekje gaat zitten en eigenlijk wil huilen omdat zijn ouders in scheiding liggen. Een leerling die woorden verkeerd spelt en dat er dan iets totaal onleesbaars en grappigs staat. Een leerling die in de kantlijn een tekening van een eenhoorn maakt na een proefwerk. Een leerling die zijn Smibanese woordenboek aan je uitleent. Een leerling die zegt dat je ‘saus’ hebt.

En dan al die collega’s op school die geweldige lessen maken. Een collega die met een klas een recordbedrag aan sponsorgeld binnenhaalt voor Dance4Life. Een collega die spontaan zes flessen gin koopt en het hele team uitnodigt om ze die avond bij haar thuis leeg te drinken. Een collega die vaker in het Rijksmuseum te vinden is met de klas dan voor de klas. Een collega die haar mentorklas bij haar thuis uitnodigt voor een etentje met diepvriespizza’s. Een collega die een yogaklasje voor de leerlingen start. Een collega die een geweldige presentatie houdt over een bepaalde pedagogische aanpak.

En dat gebeurt allemaal in een week!

Alleen al op mijn school. En dan heb ik het nog niet eens over de collega’s op al die andere scholen in het land.

Wellicht heb ik geluk; mijn schoolleiding geeft mij de ruimte en vertrouwt op mijn professionaliteit. Dat is voor mij genoeg om te gaan. Had ik die ruimte en vertrouwen niet, dan zou ik het gesprek aangaan. Juist in deze tijd waarin scholen niet achter kunnen blijven wat vernieuwingen en verbredingen betreft op onderwijsgebied.

Er moet echt niet zo veel. Docenten hebben vrijheid genoeg binnen hun eigen lespraktijk. En neem verdomme die regie in handen.

Zulke mooie dingen. Daar krijg je toch juist energie van?

En ja. Val maar over deze column. Doe maar. Klaag maar. Zeur maar door. Het gesprek ga ik graag met je aan. Niet hier, maar in het echt. Ik heb best wat goede tips en nuanceren kan ik ook. Wellicht kan ik je dan een psoriasis-aanval besparen.

Want daar wordt echt niemand gelukkiger van.

Ontbijt

Het kerstontbijt wordt georganiseerd. Niet door mij, maar door mijn mentorklas, een eerste klas.

De groepsapp loopt over. Aan het begin van de les was het grote chaos: wie neemt wat mee?

Overmorgen is het ontbijt. Op dit moment zijn ze zover:

Schermopname (1)

Ik verheug me nu al op de mini loempia’s.

Drag

Bij de deur staat een prachtige dragqueen. Leerlingen kijken naar hem, kijken nog een keer, giechelen wat en lopen door. Tassen worden gecontroleerd op drank, jassen worden in kluisjes gepropt en outfits worden bewonderd. Het laatste schoolfeest van het jaar wordt gehouden in club Nyx, een club die geliefd is bij homo’s, in de Reguliersdwarsstraat. Als begeleider van de feestcommissie heb ik besloten het feest hier te houden.

Binnen draait de rookmachine overuren en krijg je bijna hoofdpijn van de blacklights. Aan de bar wordt frisdrank verkocht en in donkere hoekjes wordt heftig getongd.

Af en toe wil een leerling even buiten een frisse neus halen; pubers zweten en de lucht is binnen al behoorlijk dik. Ik sta met een groepje collega’s bij de deur om leerlingen in de gaten te houden als ze naar binnen willen en als ze naar buiten gaan. Soms komt er drama naar buiten: die en die hebben met elkaar gedanst en daar was die het niet mee eens. Wat duwen, wat trekken en hop, weer naar binnen.

Tegen middernacht komen de eerste ouders om hun kind op te halen. ‘Ah ja, de Reguliers, hier heb ik ook wat mooie feesten gehad.’ En ‘wat hebben ze het getroffen, met schoolfeesten op dit soort locaties.’

Een vader is de vader van een mentorleerling. Ik kom hem wel eens tegen op festivals. Dan drinken we samen een biertje. Een leuke vader is het. Voor een vader van.

We staan buiten voor de deur wat te kletsen. Inmiddels staan er meerdere ouders en er staan ook wat leerlingen om me heen. Naast ons staat een groepje hele knappe jonge jongens die overduidelijk van andere knappe jonge jongens houden. De langste van het stel komt op mij af. ‘Haaai, ja, ik sta hier met mijn vrienden en nu hebben we een soort van weddenschap en ja, ik wil eigenlijk met je tongen.’ De ogen van de leerlingen vallen bijna uit hun kop als ze dit horen en de vader van begint heel hard te lachen. ‘Schat’, zeg ik, ‘ik ben lerares. Ik sta hier met ouders en leerlingen om me heen. Ik wil dolgraag met je kussen, maar dit lijkt me niet het juiste moment.’ De jongen kijkt om zich heen en lacht. ‘Ze is lerares!’, joelt hij naar zijn vrienden, ‘en dat zijn kinderen!’

Weddenschap verloren.

Rond half twee zijn alle leerlingen opgehaald en naar huis. Club Nyx is nog open. Ik ga nog even kussen. Het is tenslotte ook mijn feestje.

Zon

Mensen gaan dood. Als ze oud zijn, of als ze ziek zijn, of als ze een ongeluk krijgen. Ze laten dan een kat achter, of geld of een gezin. Het is zielig voor de kat, maar die vindt vast wel een ander baasje. Het geld kunnen ze nalaten aan een goed doel of mee de kist innemen. Voor het gezin is het verdriet hartverscheurend.

Mijn leerlingen zijn de kinderen in zo’n gezin. Hun vader(s) en of moeder(s) komen op ouderavonden, zijn bij rapportuitreikingen, staan trots met zoon of dochter op de foto als zij hun diploma krijgen, smeren boterhammen met pindakaas, wassen vergeten gymkleding uit, geven huisarrest, vinden lege plastic buisjes onder het bed waar eerst een joint in zat, ontmoeten eerste en grote liefdes, halen hun kind op van een schoolfeest, kussen hun kind bij het weggaan in de ochtend, mailen docenten vanwege onvoldoendes, geven zakgeld, zetten thee bij thuiskomst, drogen tranen, ondergaan onredelijke woede-uitbarstingen, stoppen hun kind onder de dekens, bellen af vanwege een tandartsbezoek, gaan met ze op vakantie, staan langs de lijn bij een sportwedstrijd, mopperen op puberale lamlendigheid.

En dan gaat er een vader of een moeder dood. Of dan zijn beide ouders ineens dood.

Wie droogt je tranen dan, als je veertien bent?

Wie schrijft er dan een absentiebriefje voor je, als je zestien bent?

Op de pont zie ik Amber. Ze heeft een bos zonnebloemen onder haar snelbinders. Ik vraag haar waarom ze die bloemen heeft gekocht.

‘De vader van Suus is overleden. Hij was wel heel erg ziek, maar Suus is ontzettend verdrietig. We hebben met ons vriendinnengroepje afgesproken dat we haar cadeautjes gaan geven. Allemaal gele cadeautjes, voor een ‘pocket full of sunshine’.

Een doosje zonnestralen.

Dat is op dit moment meer waard dan duizend briefjes voor de tandarts.

Ode (2)

Sommige leerlingen verdienen een ode. Op Instagram, want daar zitten ze op. 
Ik schreef het volgende voor Sterre. 

Kijk lieve Sterre! Je staat op mijn Insta. Ik vind je zó leuk!

Vijf jaar geleden was ik de mentor van Sterre. Heel jong was ze toen nog en regelmatig wilde ze even met me knuffelen. Een keer heeft zij mij thuis zelfgebakken cupcakes gebracht (met Lois!). Ik zette thee en de rest van de middag hebben we met z’n drietjes zitten giechelen. In de loop van de jaren heb ik haar zien uitgroeien tot de slimme en mooie vijfdeklasser die ze nu is. De knuffels zijn altijd gebleven. Dit jaar is ze mijn hulpmentor. Ik heb er nog vijf; allemaal even geweldig. Het is prachtig, ontroerend en vaak ook heel grappig om te zien hoe zij die kleintjes onder hun hoede nemen. 

Sterre (en blijkbaar vele andere leerlingen -hoezo, er wordt niet meer gelezen?-) leest graag mijn stukjes onder de foto’s die ik op Insta plaats. Dit stukje is speciaal voor haar. ❤️

Ode (1) 

Sommige leerlingen verdienen een ode. Op Instagram, want daar zitten ze op. 

Ik schreef het volgende voor Kelvin. 

Stel je voor. Je zit net in de eerste klas. Je bent nog klein, alles is nieuw. Zelfs de weg van school naar huis is nieuw. En al die boeken die je mee moet slepen, die lunchtrommel die je moet inpakken met voldoende boterhammen en je kluissleutel die je niet mag kwijtraken omdat he anders een boete krijgt. En dan ook nog al die kinderen. Die knappe grote meisjes met borsten en strakke broeken en die grote sterke jongens met spierballen en petjes. Het is hartstikke spannend en ook een beetje eng, op de middelbare school. Maar. Kelvin is er. Kelvin is een van de hulpmentoren van de klas. Kelvin zit in de pauzes in dezelfde ruimte een ice tea te drinken. Hij stoeit met je, hij praat met je. Over voetbal, over trainingen die je misschien wel moet afzeggen, want school is toch wel belangrijk, en dat weet jij ook wel, maar in groep acht kon het nog en nu niet meer en daar word je verdrietig van. Maar als Kelvin het zegt… Kelvin is die bovenbouwer die je kent; knap is hij en jij hebt zijn telefoonnummer omdat je hem mag bellen als er iets is. Je zit pas in de eerste en je hebt zijn nummer! Kelvin staat op zaterdag te kijken bij jouw voetbalwedstrijd, omdat hij weet hoe leuk het is als er iemand komt kijken. Kelvin gebruikt nu óók een agenda, omdat hij tijdens het bijwonen van een mentorles zag dat het toch wel erg handig was. Kelvin wil misschien iets gaan studeren, een studie met vier woorden waarvan ‘antropologie’ er een is. Geen idee wat antropologie is, maar het zal vast leuk zijn. Kelvin lult vijf kwartier in een uur, maar daar trekt hij zich niks van aan en maakt er zo zes kwartier van. Het geeft niet; alles wat Kelvin zegt is waar. En (onbedoeld) grappig. 

Die eerste klas kom je wel door. Want Kelvin is er. Kelvin zorgt ervoor dat je wint.
Kelvin moet alleen iets aan zijn Nederlands doen. Maar hee. Wie ben ik.

Dubbele stang 

‘Het lijkt wel alsof ze ieder jaar steeds kleiner worden.’

Een groepje tweedeklassers bekijkt een groepje eersteklassers. De eersteklassers zitten op de trap en openen hun broodtrommeltje. Precies op dezelfde plek waar de tweedeklassers vorig jaar hun broodtrommeltje openden. 

Dit jaar staan zij onderaan de trap en hangen ze een beetje tegen de tafels aan en eten ze een broodje uit de kantine. Hun broodtrommels gaan heus wel open, maar niet meer tijdens de pauzes. 

Ze lijken ook steeds kleiner te worden, die eerstejaars, maar dat komt omdat kinderen in zes weken vakantie ontzettend hard groeien. 

Dit jaar loopt er een wel heel klein jochie door de school. Eerst dacht ik dat een collega zijn kind had meegenomen. Maar ik kon de enorme rugzak niet verklaren. 

Het jongetje loopt aan het einde van de dag met een paniekerige blik door de school. Hij is zijn fiets kwijt. 

We gaan de fiets zoeken. Het jongetje weet zeker dat hij de fiets linksachter in het rek heeft gezet. Echt. 

‘Hoe ziet de fiets eruit?’, vraag ik. 

‘Het is een grote jongensfiets, een mannenfiets al. Met een dubbele stang!’, zegt hij. 

Uiteindelijk vinden we de fiets rechtsvoor in het rek. 

De fiets heeft inderdaad een dubbele stang. Zoals echte mannenfietsen hebben. Maar een echte man zou over de fiets gestruikeld zijn. 

Na de fiets zoeken we naar zijn sleutels. Alle boeken uit de tas. Broodtrommel ernaast. De sleutels zitten in een vakje. Linksachter. 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑